Onze geschiedenis

Voorgeschiedenis: ijveren voor een toegankelijke gezondheidszorg

In België hebben we een goed georganiseerd gezondheidssysteem met betaalbare medicatie voor iedereen. Maar dat was lang niet altijd zo. Zo’n zestig jaar geleden waren medicijnen vaak enkel weggelegd voor de gegoede burger.

In de eerste helft van de 20ste eeuw werden heel wat farmaceutische doorbraken gerealiseerd. De ontdekking van de penicilline in 1928 betekende het startshot van een wereldwijde zoektocht naar werkzame stoffen waardoor er veel nieuwe geneesmiddelen op de markt kwamen. Alleen waren die vaak vrij duur en dus niet voor iedereen toegankelijk.

Daarom richtten – tussen de twee wereldoorlogen - verschillende CM-verbonden coöperatieve apotheken op. Doel: geneesmiddelen voor iedereen toegankelijk en betaalbaar maken. Door het succes van onze apotheken, groeide ons netwerk en spreidde het zich uit over heel Vlaanderen. Drie van die coöperatieve netwerken bundelden de krachten en vormen samen de Surpluspartners.

Meer weten over een coöperatie?

Op het eerste gezicht is een coöperatieve apotheek een apotheek als alle andere… Ze staat open voor iedereen en is, wat de volksgezondheid betreft, aan dezelfde regels onderworpen als alle andere apotheken. Maar een coöperatieve apotheek heeft ook een sociale rol te vervullen en in haar economische activiteit streeft zij geen winst maar dienstverlening na.

 

De coöperatieve apotheken zijn inderdaad niet in handen van privé-apothekers, maar van verenigingen van natuurlijke personen (klanten coöperateurs) en/of rechtspersonen (ziekenfondsen, andere coöperatieve maatschappijen). Het betreft dus bedrijven, behorende tot de sector van de “sociale economie”, waarvan de werking berust op een aantal specifieke basisprincipes zoals vrijheid van aansluiting, afwezigheid van winstoogmerk, democratische controle, onafhankelijkheid tegenover de overheid.

 

De voordelen die zij de gebruiker bieden zijn tweevoudig:

  • Vooreerst op economisch vlak: de coöperatieve apotheken betalen aan hun klanten het gedeelte van de winst (of “teveel geïnde”) dat niet voor coöperatieve doeleinden werd aangewend (aankoop van nieuwe apotheken, modernisering, …) terug en dit onder de vorm van restorno’s. Door besparingen van de overheid, mocht de restorno vanaf januari 2002 op de terugbetaalbare geneesmiddelen niet meer aan de klant terugbetaald worden, maar diende dit bedrag overgemaakt te worden aan de overheid, de zogenaamde “verplichte inning”.
  • Vervolgens op het vlak van de gezondheidszorg: dankzij haar gecentraliseerd beheer en haar organisatie maakt de coöperatieve vennootschap een optimale dienstverlening aan de leden mogelijk. Zij ontlast de apothekers van allerlei administratieve opdrachten, zodat deze zich volledig kunnen toeleggen op de dienstverlening aan de klant en hun opdracht als raadgever.

​Vandaag: waakzaamheid geboden

Ook nu nog blijft het zaak om waakzaam te zijn. Iedereen heeft recht op een kwalitatieve, betaalbare en menselijke gezondheidszorg. Maar het is geen vanzelfsprekendheid. De rol van coöperatieve apotheken blijft dus uiterst belangrijk. Maar de Surpluspartners kijken ook vooruit. Hoe zorgen we ervoor dat we elke dag opnieuw het vertrouwen verdienen van onze meer dan een half miljoen klanten? Door in te zetten op degelijkheid, expertise en zorg voor onze patiënten.